Diagnose Parkinson

De ziekte van Parkinson uit zich bij iedereen anders. Niet alleen in het aantal klachten en de soort symptomen, ook het verloop van de ziekte verschilt per persoon. De bekendste symptomen van Parkinson zijn trillen, beven, stijfheid en traag bewegen. Maar er kunnen ook andere klachten optreden, zoals slaapproblemen, stemmingsklachten, blaas- en darmklachten.

Vanwege de variëteit in klachten en symptomen, verschilt ook per persoon hoe en wanneer de diagnose wordt gesteld. Zo kan het gebeuren dat iemand snel de diagnose Parkinson krijgt omdat de klachten duidelijk zijn, zoals beven of traagheid. Soms zijn de klachten vaag en wordt pas na een lange tijd duidelijk dat het om de ziekte van Parkinson gaat.

Hoe wordt de diagnose Parkinson eigenlijk gesteld? Wie stelt de diagnose? En wat gebeurt er als er twijfels zijn over de diagnose?

Hoe wordt de diagnose Parkinson gesteld?

Bij de ziekte van Parkinson is het niet altijd makkelijk om de juiste diagnose te stellen. Dat komt omdat de klachten vaak in het beginstadium nog mild en vaag zijn. Maar ook in een later stadium kan het zijn dat de symptomen onvoldoende duidelijkheid geven om direct de diagnose Parkinson te stellen.

Vaak kom je met je klachten als eerste bij je huisarts of specialist terecht. Als vermoed wordt dat het om de ziekte van Parkinson gaat, dan is een onderzoek bij een neuroloog de volgende stap. Tijdens het eerste gesprek met de neuroloog krijg je vragen over je klachten, ziekteverleden en medicijngebruik. Daarna volgt een lichamelijk en neurologisch onderzoek. Het doel van deze onderzoeken is om na te gaan hoe goed de hersenen, zenuwen en spieren werken.

Lichamelijk onderzoek

Het lichamelijk onderzoek bestaat onder andere uit bewegingsoefeningen. Tijdens de oefeningen worden bijvoorbeeld reflexen, coördinatie, spierspanning en spierkracht getest. Door de uitvoering van deze oefeningen kan gezien worden of er afwijkingen zijn in de manier van bewegen. Bewegingsoefeningen die vaak gevraagd worden om uit te voeren, zijn:

  • Een voorwerp met de ogen volgen;
  • Naar een stemvork luisteren;
  • Armen uitsteken;
  • In de handen knijpen;
  • Spierballen maken;
  • Op tenen en hakken lopen.

Daarnaast wordt ook een algemeen onderzoek gedaan. Zo wordt bijvoorbeeld de bloeddruk, polsslag en hartslag gemeten. De neuroloog zal ook luisteren naar het hart, de longen en buik.

Neurologisch onderzoek

Het neurologisch onderzoek is vooral gericht op het testen van iemands geheugen, aandacht, concentratie, taalvaardigheid, planning en ruimtelijk inzicht. Mensen met Parkinson hebben daar namelijk vaak moeite mee. Het neurologisch onderzoek bestaat uit een gesprek met de neuroloog en verschillende testen op het gebied van lezen, schrijven en rekenen.

Komt uit de onderzoeken naar voren dat de klachten niet passen bij de typische symptomen van de ziekte van Parkinson? Dan kan de neuroloog ervoor kiezen om aanvullend onderzoek te doen.

Aanvullend onderzoek bij twijfels over de diagnose Parkinson

Aanvullend onderzoek kan helpen om twijfels over de diagnose Parkinson weg te nemen. Vaak wordt eerst een MRI-scan gemaakt om een beeld te krijgen van de vorm en functie van de hersenen. Deze scan wordt ook gebruikt om andere oorzaken uit te sluiten. Voorbeelden hiervan zijn problemen met de doorbloeding of andere aandoeningen die lijken op de ziekte van Parkinson. Naast de MRI-scan kan er ook bloedonderzoek worden gedaan. Ook de werking van de darmen en blaas kan worden gemeten.

Daarnaast zijn er nog andere aanvullende onderzoeken die helpen bij het vaststellen van de diagnose Parkinson:

DAT-SPECT-scan

Met een DAT-SPECT-scan wordt gericht gekeken naar de hersencellen in de substantia nigra. In dit hersengebied wordt dopamine aangemaakt. Bij mensen met Parkinson is de substantia nigra aangetast. Als uit de scan blijkt dat er minder activiteit in dit hersengebied is dan kan dit wijzen op de ziekte van Parkinson. Deze scan levert dus meer zekerheid op over de diagnose.

FDG-PET-scan

De FDG-PET-scan is vooral gericht op de verschillende vormen van Parkinson of specifieke vormen van atypisch Parkinsonisme, zoals Multiple Systeem Atrofie (MSA) en Progressieve Supranucleaire Palsy (PSP). Met deze scan kan dus beter worden bepaald om welke vorm van Parkinson of Parkinsonisme het gaat. Tijdens de scan wordt er naar specifieke hersengebieden gekeken, door een radioactieve stof in te spuiten en de activiteit ervan te meten.

Transcraniële echo

Bij de DAT-SPECT-scan en de FDG-PET-scan wordt gebruikgemaakt van radioactieve straling. Een transcraniële echo maakt gebruik van geluidsgolven. Op de echo wordt de substantia nigra beter weergegeven bij mensen met Parkinson. Dit komt omdat er dan vaak meer ijzer aanwezig is in dit hersengebied. Een duidelijke weergave van de substantia nigra hoeft echter niet direct te duiden op de ziekte van Parkinson. Het is dus geen vervanging maar een aanvulling op de onderzoeken.

Wordt bij iemand uiteindelijk de diagnose Parkinson gesteld, dan krijgt hij of zij een persoonlijk behandelplan om de ziekte te behandelen.

Heb jij de controle over jouw ziekte?

Praat er over met jouw huisarts of gespecialiseerd neuroloog. Of doe de Parkinson zelftest om meer inzicht te krijgen in jouw persoonlijke situatie.

Ook interessant: